'U weet niet wat vrijheid betekent'

‘U weet niet wat vrijheid betekent’

Leen Spaans (79) is opgegroeid in meerdere kindertehuizen in Zuid-Holland. Voor de warmte van een liefdevol gezin, krijgt hij een stenen regime en lijfstraffen in de plaats. Zijn werkgeest en droom om naar zee te gaan houden hem op de been. Een verhaal over ontwrichting en zelfstandigheid.

Ruim een uur hebben ze gelopen, weg van het tehuis. Het Martha-stichtingtehuis in Alphen aan den Rijn zou een nieuw thuis moeten zijn, maar voor Leen Spaans (14) is dat het nooit geworden. Dit is de derde keer dat hij het voor gezien houdt. Waar hij naartoe gaat weet hij eigenlijk niet, maar hij wil weg van de stenen vloeren, stalen bedden, de koude douches en de lijfstraffen. Vier vrienden gaan met hem mee. In de verte doemt langzaam het bord van de gemeente Zwammerdam op.

Opgesplitst
In het jaar 1942 wordt Nederland bezet door Nazi-Duitsland. Scheveningen is niet veel meer dan een arm vissersdorp. Clasina Spaans ligt hoestend op bed, want ze is ernstig ziek. Ze heeft tuberculose, een ziekte die moeilijk kan worden genezen. Haar man Wim werkt op zee en zelf Clasina zou zes kinderen moeten hebben om voor te zorgen: Wim (11), Clasina (10), Corrie (8), Leen (6), Arie (4), Adriaan (2). Omdat het te gevaarlijk is in het Sperrgebiet waar ze wonen en Clasina te zwak is om voor de kinderen te zorgen, wordt het gezin uit elkaar gehaald. Leen komt in het christelijke kindertehuis ‘De Vluchtheuvel’ terecht, samen met Corrie Arie en Adriaan. Wanneer de oorlog voorbij is, komt Wim aan wal om bij de rubberfabriek van Vredesteijn te werken. Het gezin komt wordt herenigd, maar wanneer de gezondheid van Clasina verslechtert, moeten de kinderen opnieuw naar het tehuis.

Kindertehuis De Vluchtheuvel in 1948. Tweede rij, derde van rechts staat Leen.
Kindertehuis De Vluchtheuvel in 1948. Tweede rij, derde van rechts staat Leen.

Wanneer Leen 11 jaar is, ligt zijn vader overhoop met het bestuur van het kindertehuis. Waarover het gaat weet Leen niet precies; zijn vader is het wel vaker niet eens met de gang van zaken omtrent zijn kinderen. Hij kan ze weliswaar niet in huis nemen, maar als een van zijn zoons en dochters verkeerd wordt behandeld, staat hij binnen de kortste keren op de stoep om daar verandering in te brengen. Het liefst neemt hij ze alle vier zelfs het huis weer in. In het najaar van 1948 is de directrice van De Vluchtheuvel het zat. Leen en de drie anderen mogen met hun vader mee en gaan weer naar huis.

Het is april en de lentezon schijnt het lokaal binnen bij de lagere school aan de Van Gouwestraat in Den Haag. Leen zit binnen in een houten schoolbank en krijgt taalles. Het is een paar weken dat hij van de Vluchtheuvel is terugverhuisd naar zijn vader. Buiten stopt een Volkswagen Kever. Een man stapt uit. Even later komt de bovenmeester het lokaal waar Leen les heeft binnen. Leen moet mee. Zijn broer en zusjes zijn ook hun klas uitgehaald. Ze worden de school uitgeleid, naar de auto en worden gemaand in te stappen. Daar zitten ze dan, met z’n vieren op de achterbank: Leen, zijn broer Arie en zijn zussen Corrie en Hermien. Bij de Jan van Nassaustraat stoppen ze. Hun vader is speciaal van zijn werk ontbonden en zit binnen in het kantoortje van de Voogdijraad. Hij is woedend, want hij is opnieuw de voogdij over zijn kinderen verloren. Bij hem zou er ‘gevaar voor verwaarlozing’ bestaan.

Koude douche
De Volkswagen Kever vervolgt zijn weg tot in Alphen aan den Rijn. Het is krap achterin het autootje. Uiteindelijk stoppen ze bij een heel groot bakstenen huis, in een soort parkje. Eromheen staan nog meer gebouwtjes, tussen het groen. Op de stenen poort staat: ‘Martha-Stichting’. Ze stappen uit. Hermien en Corrie moeten mee een andere kant op, richting de meisjesgebouwen, want jongens en meisjes worden van elkaar gescheiden. Leen en zijn broer Arie mogen zichzelf even voorstellen aan de andere jongens van het tehuis, daarna moeten ze mee naar de pastorie op het terrein. Daar wordt hun haar kortgeknipt en krijgen ze een ‘stichtingsuniform’, bestaande uit klompen, een korte broek, een blauw bloesje en een zwartgeverfd windjack. Zijn eigen kleding heeft Leen sindsdien nooit meer teruggezien. Leen voelt zich verloren; van de ene op de andere dag is er niets over van het leven waaraan hij gewend is geraakt.

Speelplaats jongenspaviljoen, Martha Stichting.
Speelplaats jongenspaviljoen, Martha Stichting.

Het is vooral het strakke regime waaraan Leen moet wennen. ’s Morgens moet hij, samen met de andere 29 jongens op zijn slaapzaal, recht voor zijn bed gaan staan. Dan komt een van de ‘leiders’ langs. Als het bed netjes is opgemaakt, mogen ze door, maar wanneer iemand in bed heeft geplast, wordt hij met kleding en al onder een dikwijls koude douche gezet of er zelfs onder geschopt. Leen is een van de kinderen die vaak in bed plast. Regelmatig staat hij zelf zijn beddengoed schoon te wassen met het gevoel dat veel verzorgers walgen van zijn viezigheid.

Wanneer de kinderen zich hebben gewassen en aangekleed, lopen ze in een rij naar de ontbijttafels. Eerst de slaapzaal uit, door een grote houten deur, dan de overloop en dan nog een grote houten deur. De jongens stellen zich op bij de tafels en wachten tot ze mogen zitten. Ze krijgen een glas melk en twee boterhammen. Als Leen zorgvuldig te werk gaat, kan hij zijn blokje boter net over allebei de sneetjes uitsmeren. Daaroverheen gaat dan zure zult of kaas. Leen gruwelt van de zure zult. ’s Avonds gaat het net zo: voor het eten een dankgebedje, daarna een sobere maaltijd. De raapstelen hangen hem ook al snel de keel uit.

Blauw
Zwammerdam, 1951. De jongens hebben het dorp bereikt, maar willen door. Dan horen ze een fietser achter zich. Het is de groepsleider, meneer De Bas. In een stevige looppas moeten ze terug, ruim vijf kilometer, achter zijn fiets aan. Een klein uur later lopen ze moegestreden onder de poort door. De andere jongens gaan mee naar het binnenplaatsje, maar Leen moet wachten bij de garderobe, naast de hal. Even later komt meneer De Bas terug met hoofdleider meneer Hoekstra. Ze doen de deuren aan beide kanten van de ruimte op slot. Dan krijgt Leen een klap en al snel volgen er meer. Minuten lang slaan de twee mannen op hem in. Wanneer hij ’s avonds in de spiegel kijkt, is heel zijn rug blauw. Zijn vader zou ze vermoorden als hij dit zou weten, denkt hij bij zichzelf.

Leen ontsnapt vijf keer bij de Martha-Stichting. Soms brengt hij de nacht door in een politiecel, waar een van de verzorgers hem de volgende dag zonder veel problemen komt ophalen. Eén keer wordt hij helemaal in Wassenaar ingerekend door een agent, na 20 kilometer lopen. Leen blijft ontsnappen wanneer de stenen muren van het tehuis hem benauwen, totdat hoofdleider meneer Mertens, een oud kapitein van de militaire dienst met bokservaring, hem voor straf in de vestibule opsluit en op hem in begint te slaan alsof het een bokswedstrijd is. Hij schreeuwt tegen de tiener en noemt hem ‘lafaard’, omdat die niet terugvecht. Gehurkt zit Leen op de grond, wachtend tot het voorbij is en hopend dat hij zo snel mogelijk weg kan.

Eetzaal in het jongenspaviljoen, Martha-Stichting, 1949. Leen zit aan achterste tafel.
Eetzaal in het jongenspaviljoen, Martha-Stichting, 1949. Leen zit aan achterste tafel.

School
Leen wil naar zee. Het is een droom die hij altijd heeft gekoesterd. Heel zijn familie zat op zee om te vissen. Dat zou een armoedig bestaan zijn, weet Leen, daarom wil op een koopvaardijschip gaan werken. Tot die tijd zit hij zijn tijd uit in het tehuis, waar het niet alleen kommer en kwel is. De kinderen moeten dan wel veel corvee doen, maar hebben voldoende te eten, de bedden zijn schoon en er is scholing. Leen gaat bijvoorbeeld naar een christelijke MULO aan het St. Jorisplein in Alphen aan den Rijn. Ook daar krijgt hij wel eens straf, want Leen is goedgebekt en houdt niet van stilzitten, maar het zijn kleine incidenten.

In zijn tweede jaar aan de MULO krijgt Leen een pets in zijn gezicht van zijn leraar Duits. Het is normaal om leerlingen te ‘corrigeren’, maar Leen pikt het niet en slaat terug. Voor straf moet hij een week lang onder schooltijd op de gang staan. Wanneer een van de schoolleiders controleert of hij zijn straf ‘uitstaat’, treft hij een lege gang aan. Leen heeft de benen genomen. Hij wordt van school gestuurd op 14-jarige leeftijd.

Leens monsterboekje, Nederlandse Koopvaardij.
Leens monsterboekje, Nederlandse Koopvaardij.

Buenos Aires
Het is juni 1955 wanneer de lichten uit moeten in de haven van Buenos Aires. Ook op de schepen moet het stil en donker zijn en niemand mag van boord. De opstand tegen president Juan Perón is in volle gang en in de binnenstad wordt geschoten. De marine, die op dat moment aan de kant van de regering vecht, controleert de haven. Op de grond liggen gewapende militairen. Het blijft stil in de haven. Niet één mitrailleurschot weerklinkt, want daar is niemand om tegen te vechten.

Tussen de militairen door komt een lange blonde jongeman aangelopen. ‘Is hij gek geworden?’ denkt een van de soldaten. ‘Maar dat moet een buitenlander zijn’, constateert hij. “Hey Johnny, cigarette!”, roept hij naar de man. Die komt zijn kant op en geeft hem een sigaret. Steeds opnieuw wordt de man aangehouden en geeft dan een sigaret en een vuurtje. Soms maakt hij een praatje, maar uiteindelijk mag hij doorlopen. Na die avond de benen te hebben gestrekt, gaat Leen weer aan boord bij vrachtschip de ‘Alioth’. De leiding is boos, want als ketelbink ben je überhaupt niet bevoegd alleen van boord te gaan, laat staan wanneer niemand dat mag. Maar Leen heeft zijn zin; hij wilde gewoon graag de wal op.

Schoon

Acht jaar lang vaart Leen op verschillende schepen de hele wereld over. Achteraf noemt hij het ‘de mooiste tijd van mijn leven.’ Als ketelbink doet hij zijn eerste reis precies wat hij altijd al gewend was in Alphen aan den Rijn; netjes ruimt hij de kajuiten van de bemanning op en zorgt dat ’s avonds de tafels gedekt zijn. Na een paar weken komt de kapitein naar hem toe. “Jij bent voortaan de enige die mijn kajuit in mag om schoon te maken”, zegt hij tegen Leen. De man is onder de indruk: zo schoon is zijn kajuit nog nooit geweest.

Leen brengt passagiers naar de wal, met de motorsloep, bij Haïti, 1962. De 'Maasdam' (Holland-Amerikalijn) ligt voor anker op de achtergrond. Leen staat rechts op de foto. (Fotograaf onbekend.)
Leen brengt passagiers naar de wal, met de motorsloep, bij Haïti, 1962. De ‘Maasdam’ (Holland-Amerikalijn) ligt voor anker op de achtergrond. Leen staat rechts op de foto. (Fotograaf onbekend.)

Ook de rest van de bemanning kijkt op een gegeven moment verbaasd toe. Tijdens het middageten knoopt Leen zo maar een gesprek aan met twee van de Argentijnse ‘werkende passagiers’. De twee zijn in Nederland geweest en kunnen al werkend goedkoop terug naar Zuid-Amerika. De jaren aan onderwijs op de MULO hebben goed uitgepakt voor Leen, die zich prima weet te redden aan boord en aan wal. Zo blijkt ook in Santos, Brazilië, waar hij bier leert drinken, samen met de bemanning. Hij is al snel één van hen en binnen enkele jaren werkt hij zich op van ketelbink tot volmatroos.

Leen blijft niet op vrachtschepen varen en gaat in 1960 in dienst op een van de tankers van Shell, die door de Cariben en langs Noord-Amerika vaart. Om de zoveel maanden keert hij terug naar Nederland, waar hij een meisje, Ali Kuiper, heeft ontmoet waar hij zeer gesteld op is geraakt. Hij trouwt met haar, maar keert pas definitief terug wanneer ze in 1963 in verwachting is van hun tweede kind, na gevaren te hebben als matroos op passagiersschepen op de Holland-Amerikalijn. Vanaf 1963 gaat hij aan de slag aan wal en begint een nieuw tijdperk met een gezin van vier kinderen.

Vrijheid
Vandaag de dag woont Leen Spaans in een flat in Zoetermeer, samen met zijn tweede vrouw Irma (60). Zijn eerste grote liefde Ali is in 2005 overleden aan de gevolgen van kanker. Met de gescheiden Irma, die hij al lange tijd kent, is hij na een tijdje samen gaan wonen en inmiddels tien jaar getrouwd. Vanuit hun flatwoning, een paarhonderd meter vanaf het stadshart, komen ze makkelijk waar ze moeten zijn. Alleen is Leens lichaam niet wat het geweest is. Zijn hart is uitgeput en door een afgeknelde ader in zijn rechterbil loopt hij moeilijk. Van de bronchitis en trombose heeft hij al langere tijd last en die opeenstapeling zorgt er voor dat kleine afstanden al niet zijn aan te lopen.

Maar op straat, waar altijd afval rondwaait, loopt Leen regelmatig met een prikkertje en een plastic zak de boel op te ruimen. Eén keer in de week zet hij de papierbak buiten en als er weer eens een auto weken lang onaangeroerd op de parkeerplaats staat, hangt hij aan de telefoon met de gemeente. Laatst nog hebben ze een onverzekerd busje weggesleept. Pas als hij niet meer kan functioneren en een last wordt voor zijn omgeving, hoeft ‘het’ wat hem betreft niet meer. Tot die tijd reist hij heen en weer met de auto, maar vaker met zijn scootmobiel, tot kilometers buiten Zoetermeer.

“Jaren geleden toen ik nog voer”, vertelt Leen, “heb ik oud-groepsleider bij de Martha-stichting meneer Bakker een keer opgezocht. Hij was de enige leider waarmee ik ontzettend goed kon opschieten. Toen vroeg hij aan mij: ‘Wat vind je nou zo fijn aan dat varen?’ ‘Mijn vrijheid’, vertelde ik hem. Bakker was verbaasd. ‘Wat is nou vrijheid? Zo’n schip is misschien 150 meter lang en 20 meter breed.’ Ik zei: ‘Meneer Bakker, u weet niet wat vrijheid betekent.’”

 

Oorspronkelijk gepubliceerd bij De Verslaggever.